Vertel uw verhaal

Het gebouw Amstelhof heeft een rijke geschiedenis. Voor velen liggen er nog herinneringen uit de tijd vóór de Hermitage Amsterdam er gevestigd werd. Oud-bewoners en hun familie maar ook voormalige verzorgers en vrijwilligers krijgen hier de gelegenheid om die herinneringen te delen. Hebt u ook een mooi verhaal of oude foto’s waarin Amstelhof een rol speelt?

Stuur ze dan per e-mail op naar verteluwverhaal@hermitage.nl of stuur uw materiaal per post naar:

Hermitage Amsterdam
Postbus 11675
1001 GR Amsterdam

NB. Vermeldt u duidelijk een retouradres wanneer het foto’s per post betreft?

AMSTELHOF – INWONEN IN EEN BEJAARDENTEHUIS

Mei 1961 tot december 1965

Op een koude regenachtige dag in mei 1961 kwamen we vanuit Assen in Amsterdam aan. De verhuizers gingen uitpakken en ons gezin mocht in de deftige Gele Kamer met oude meubels, schilderijen en tapijten de warme maaltijd gebruiken. Mijn vader was aangesteld als Algemeen Directeur van Amstelhof. Ik was toen 13 jaar, mijn zus Betty 2 jaar ouder.

We woonden rechts naast de oude hoofdingang aan de Amstel, met de woonkamer, de keuken en de hal met toilet. Om bij de slaapkamers en badkamer te komen moesten we de hoofdgang oversteken. Precies op dat punt stond in de hoofdgang een bank waarop vrijwel altijd één of enkele bejaarden zaten. Die hadden dus mooi zicht op ons doen en laten. De opmerking dat ik “lekkere dikke benen” had vergeet ik niet meer. Aan een lange gang met oude houten vloer lagen die andere kamers. De gang, waarin ook een oeroude lakenpers stond, leidde naar de ruimte van de fysiotherapie. Dus veel vrijheid hadden we niet; altijd bewoners, personeel en geluid om je heen.

Als “boertje” uit Drenthe kwam ik op het Hervormd Lyceum Zuid. Mijn zus ook , maar die zat een paar klassen hoger. Om daar vanuit huis te komen met de fiets had je ongeveer 20 minuten nodig. Eerst de fiets halen uit het hok op de binnenplaats, dan in de Ossenpoort het deurtje openen en dan via Amstel, Magere Brug, Kerkstraat, Utrechtsestraat, Frederiksplein (waar ze druk bezig waren met de nieuwbouw van de Nederlandse Bank), Van Woustraat, Ceintuurbaan, Hobbemakade, Stadionweg, Handelstraat naar de Bachstraat. En ’s middags dezelfde weg terug, iedere dag weer, om gek van te worden. Teruggekomen bij huis moest je buiten bij de Ossenpoort op een knopje drukken en de portier kon dan via spiegels zien wie er belde en deed dan de poort open.

Het was een prachtig gebouw. Ik mocht er graag in ronddwalen, vooral op de eindeloze zolders hoewel dat eigenlijk verboden terrein was. Het heeft wel even geduurd voordat ik aan de sfeer en cultuur gewend was, want inwonen in een oeroud 17e-eeuws gebouw bij allemaal (in mijn kinderogen) stokoude mensen was toch wel erg apart. Geleidelijk ging ik wat helpen, bijvoorbeeld met het rijden van bewoners naar de kerkzaal op zondag, bij het oliebollenbakken voor oudejaar en bij de jaarlijkse fancy fair. Daar bewaar ik erg goede herinneringen aan. In de zomer volleybalde ik met het personeel achterin de tuin bij Corvershof. (Daarachter werd toen druk gebouwd aan de Weesperstraat.) En in de winter speelde ik binnen tafeltennis in de kerkzaal. Ik heb zelfs nog een keer de interne competitie gewonnen en kreeg toen de naar ons genoemde “Kwakkelplak” uitgereikt. Die bewaar ik nog steeds zorgvuldig.

Omdat in ons gezin nog geen televisie was (die kwam pas in 1962) ging ik vaak (steeds vaker) kijken in de personeelsruimte. Ik was daar ’s avonds dikwijls nog als laatste en mijn moeder moest me er dan wegslepen terwijl ik met rood gezicht opging in een spannende avonturenfilm of zoiets.

Van het personeel herinner ik me niet veel namen. Maar wel die van zuster (Ina) Germans (hoofd verzorging/verpleging), juffrouw (Sara) Smit (hoofd huishouding), dokter Stuyt (medisch directeur), zuster Jo, Lena Jacobs, dominee Hans Schröder (tante Hans). In het ernaast aan de Nieuwe Keizersgracht gelegen tehuis voor bejaarde mannen, de Van Limmikstichting, waar vader Van der Kraats de scepter zwaaide, was ik dik bevriend met zoon IJbert. Ik kwam er veel over de vloer.

De tuinen van Amstelhof waren fraai en werden goed onderhouden. Onder de tweede poort door was in de tuin ook nog een aparte tuin van de directeur. Heel bijzonder en ook mooi, maar ik herinner me niet dat we daar veel kwamen; ook daar was de privacy niet optimaal.

Het uitzicht uit onze woonkamer was fantastisch. Op zwoele zomeravonden gingen de schuiframen omhoog en genoten we van de lome stadsgeluiden. Op de Amstel was altijd wel iets te zien: vrachtvaart, rondvaartboten, vuilnisboten, pleziervaartuigen, enz. Ik viste weleens in de Nieuwe Keizersgracht, maar ving nooit wat. In de strenge winter van 1962 (de ijsbrekers kwamen er niet meer door) schaatsten we op de Amstel bij de Magere Brug. Onvergetelijk.

Aanvankelijk was het erg wennen in de grote stad, maar toen we in de sneeuw in december 1965 verhuisden naar Berg en Dal (bij Nijmegen) vond ik dat erg vervelend. Ik was toen bijna 18 jaar. Alles bijeen waren het voor een jongen in de puberteit mooie en opwindende jaren in wereldstad Amsterdam.

Dick Kwakkel – december 2013

ER IS IN MIJ EEN STIL VERDRIET

Er is in mij een stil verdriet, dit zijn de woorden van mijn lieve vader Christiaan Marinus Polhuis. Het laatste jaar van zijn leven verbleef mijn vader in Amstelhof. Mijn vader heeft het daar goed gehad. Iedere zondag kwam mijn moeder op visite bij mijn vader. De gezellige zondagen in de conversatiezaal waren erg gemoedelijk. Er was altijd iets lekkers om te gebruiken. Voor de bewoners maar ook voor de visite.

Ook ik als dochter ben veel in Amstelhof geweest. Zijn laatste Kerstfeest van 1982 vierden mijn vader met mijn moeder in de Kerkzaal. Ik mocht daar ook aanwezig zijn. De bewoners hoe oud of hoe ziek ze ook waren zongen vol overgave de Kerstliederen mee. Dit heeft op mij een onvergetelijke indruk gemaakt.

Mijn vader lag op een mannen zaaltje van vier mannen. Deze mannen konden niet met elkaar praten. Een ieder had zijn verdriet en men sprak niet of nauwelijks met elkaar. Als wij met vader wilden praten gingen wij naar de Kerkzaal toe. Ook spraken wij met elkaar in het kleine kamertje dat uitkeek naar de Magere brug. Een geliefd plekje van Pa om daar te zitten. Het schitterende uitzicht over de Amstel boeide hem steeds weer opnieuw. Hij keek graag naar buiten en Pa genoot van de bootjes die vaarden door de Amstel.

Mijn vader is op 30 januari 1983 onverwachts overleden in Amstelhof. Op zondagmorgen 30 januari zakte hij in de conversatie zaal op de eerste etage in elkaar. Hij is 70 jaar geworden. Personeel legde Pa op zijn bed. Zijn mede kamergenoten namen afscheid van mijn vader met de woorden "Dag kameraad Vaarwel".

Nu loop ik in de Hermitage. Mijn gedachten zijn bij mijn vader. Als geboren Amsterdammer zou hij er trots op zijn geweest dat zijn sterfhuis nu de Hermitage is.

Een gedichtje van C.M. Polhuis (1912-1983)

Ik heb vaak stille dagen
Die ik toch alleen moet dragen
Dan heb ik sombere gedachten
Die zo zwart zijn als de nachten
En bij mijn binnenste snikken
Blijft mijn hart
gelukkig tikken.

C. Polhuis

Oude mannenhuis

Mijn vader(1924) vertelde altijd, hoe hij samen met zijn vader op zondagochtend naar het "Oude mannenhuis"aan de Amstel wandelde vanuit de Watergraafsmeer. Daar speelde mijn grootvader, die organist was, op het orgel in de kerkzaal en mijn vader moest als kleine jongen het orgel aantrappen. Ondertussen ging mijn grootmoeder met de dochters naar een andere kerk, want in dit gezin waren 'twee geloven op een kussen'. Het was overigens een goed huwelijk.

Na afloop van de dienst wandelden vader en zoon weer terug en namen dan de route dwars door Artis, hoofdingang- aquariumingang. In de dierentuin trok grootvader dan een sigaar uit een automaat voor de zondag.

Inge Schagen

Amstelhof

In de vijftiger jaren van de vorige eeuw ging mijn grootmoeder in het prachtige pand het Corvershof op de Nieuwe Herengracht wonen, dat toentertijd een tehuis voor dames op leeftijd was. Volgens mijn beste weten hoort dit gebouw nu ook bij de Hermitage. Ik was toen 16 à 17 jaar en zat nog op de middelbare school.

Mijn oma was iemand die gemakkelijk contact maakte en al snel had ze daar verscheidene vriendinnen, maar ook haar andere vriendinnen vergaten haar niet en kwamen haar opzoeken.

Ik kwam graag bij mijn oma, want ze was heel lief en ik vond bij haar de warmte die ik thuis ontbeerde. Ik trouwde toen ik 20 was en oma nodigde mij en mijn kleine gezinnetje (ik kreeg mijn dochter toen ik 21 was, we spreken nu over het jaar 1960, mijn oma was toen al 80 jaar) vaak uit om te komen eten. Het duurde zo’n twee jaar dat we daar regelmatig op visite gingen. Tot mijn oma’s beste vriendin en buurvrouw op het Corvershof ziek werd en naar de ziekenboeg van het Amstelhof, dat even verder lag, werd gebracht. Ze overleed niet lang daarna. Daarna ging het met mijn oma bergafwaarts. Ze had er geen zin meer in, zei ze, waarmee ze het leven bedoelde en haar opfleuren lukte niet.

Na verloop van tijd werd ze ook naar de Amstelhof gebracht. Op een keer ging ik haar bezoeken en ik nam mijn dochtertje van twee jaar mee. Het was iets wat ik nooit zal vergeten. Mijn oma lag daar afgeschermd van de rest van de zaal, en ik kon haar niet meer bereiken, figuurlijk gesproken. Mijn dochtertje (een vroeg praatstertje) zei tegen mij:’mamma, waarom zegt oma Coba niets tegen me?’ ‘Omdat ze heel ziek is’, antwoordde ik. De tranen stonden in mijn ogen. Mijn oma leefde nog wel, ze ademde nog, maar ‘leven’ kon je het niet meer noemen. We bleven daar een poosje, maar na verloop van tijd ben ik met de kleine meid vertrokken, wel met lood in de schoenen. Ik voelde toen dat het niet meer lang zou duren, maar hoe lang? In de loop van die week overleed mijn oma.

Als ik nu de Hermitage zie, wanneer ik er voorbij fiets, denk ik nog vaak aan de laatste keer daar, hoewel het nu bijna vijftig jaar geleden is, want mijn dochter is net vijftig jaar geworden en ik eenenzeventig jaar!

Inmiddels heb ik wel het museum bezocht en vind het prachtig, heel veel lof! Toch was het ook moeilijk voor mij, iets wat ik nooit had verwacht.

Ook in de bouwfase ben ik er een keer geweest, bij de openstelling voor het publiek en ook nog een keer naar een lezing, met uitleg hoe alles zou worden.

Ik zie uit naar de volgende tentoonstelling, van Malevitch tot Matisse. Geweldig voor Amsterdam, deze Hermitage, daar hebben we wel behoefte aan in deze ‘rommelige’ (eufemistisch uitgedrukt) tijd.

Tante Ina in Amstelhof

De Hermitage. Ik was er woensdag 6 januari 2010 en liep er gefascineerd rond. Gefascineerd niet alleen door de tsaren uit Rusland en hun verleden van pracht en praal, maar ook door het gebouw waar ik meer dan 40 jaar geleden bij mijn tante, mevrouw Germans-Kuijper, op bezoek kwam. Zij was toen verpleegkundig directrice van Amstelhof en woonde intern. Ik vond dat zij daar geweldig woonde. Vanuit haar kamer keek je op de Amstel en de Magere Brug. Woensdag was ik in de regentessenkamer en vroeg mij af of dat toen haar kamer was. Hebben er wisselingen en verwisselingen plaatsgevonden? Misschien wel in mijn eigen hoofd. Ik herinner mij de kerkzaal. Bij haar afscheid werd er een musical opgevoerd, waarbij wij, haar familie, ook uitgenodigd waren. Na de opvoering ging het hele personeel aan een lange tafel zitten en kregen wij een loempia van de kok. Geweldig! Had ik nog nooit gegeten!!

Woensdag in de namiddag begon het heftig te sneeuwen. Ik realiseerde mij dat ik snel naar mijn woonplaats Delft moest terugkeren wilde ik niet stranden in de te verwachten chaos. Maar bij het verlaten van het oude Amstelhof pakte ik toch nog even mijn camera. De reeds besneeuwde binnentuin, de Amstel, de boten, de klapbrug direct rechts van de Hermitage werden omhuld door een dicht sneeuwgordijn. Mijn tijd stond even stil.

Netty Kuijper

Ziekenverzorgen in de Amstelhof

Ik heb gewerkt als ziekenverzorgende in Amstelhof, ik vond dit toen al een bijzonder gebouw met al het verleden wat het heeft.

Ik kan me nog goed herinneren dat ik wel eens verdwaaldde in Amstelhof, zo groot, en ook vaak kleine ruimte's waar ik dan in terecht kwam, en tja....hoe moest ik dan ook alweer terug lopen...

Op de afdelingen waren vaak trappen naar het patiënten-toilet wat natuurlijk niet handig was, op die trap was dat een vloerlift waar je dan met een rolstoel op kon staan.

Amstelhof was toen al afgekeurd betreft brandveiligheid, wat natuurlijk logisch was.

De kerkruimte vond ik ook een hele mooie ruimte met het mooie orgel wat daar hoop ik nog staat.

Ik vind het bijzonder dat ik in dit mooie gebouw heb mogen werken.

Met vriendelijke groet,

Loes Bakker.

Op eigen benen in de grote stad

In 1986, ik was 19, en begon aan het grote avontuur,geboren en getogen in een klein dorpje in Twenthe, kwam ik op een warme dag in april in Amsterdam aan, om te beginnen aan de opleiding voor ziekenverzorgende in de Amstelhof. Het grote gebouw intimideerde me enorm, de drukte van de grote stad, op eigen benen staan. Het was de bedoeling dat ik een kamer zou krijgen in een gebouw achter de Amstelhof. Dat ging gelukkig niet door, omdat ik had gehoord dat de mentrix erg streng was en weinig ruimte gaf aan buitenschoolse activiteiten. Ik kwam op de Vechtstraat terecht, een soort van dependance. Van daaruit 5 dagen in de week naar school, bij de Sloterplas, daarna stage lopen in de Amstelhof, op een afdeling met uitzicht op de Amstel. Hier heb ik geleerd zelfstandig te zijn, het dorpse achter me te laten, heb veel leed gezien, verdriet, maar ook veel plezier, veel ervaringen, die me nu nog van pas komen. Ik weet niet of ik van alles door elkaar haal, maar ik denk dat ik vanuit de Amstelhof de opening van de Stopera heb gevolgd, en ook de begrafenis van de Amerikaan die al jarenlang op een boot voor de Amstelhof woonde, en bij reparatiewerkzaamheden aan zijn boot was verdronken, de uitvaart over de Amstel richting Zorgvlied.

Heb mijn opleiding in Den Haag afgemaakt en woon nu al weer jaren in Voorburg, werkzaam bij een dagverzorging in een verzorgingshuis.

Heb alle tentoonstellingen in het kleine Hermitage gezien en elke keer dat ik daar weer loop denk ik weer terug aan die leuke tijd die ik daar als student heb meegemaakt.

Ik kan bijna niet wachten om het grote Hermitage te zien en de tentoonstelling te bekijken.

Met vriendelijke groet,

R.A.J Weda.

Intieme momenten in de Amstelhof

Ik had een vakantiebaan in Amstelhof in 1966 net toen ik geslaagd was voor de 4 jarige Handelsschool aan de Nic. Maesstraat. Ik moest dat jaar onder dienst, dus ik besloot nog maar wat geld te verdienen voordat ik onder de wapenen moest. Ik kwam terecht op Amstelhof bij de bewonersadministratie bij de dames Paais en Pellemans. Ik moest regelmatig pakjes ophalen en boodschappen doen. De rest van de tijd kon ik de bejaardenhelpsters en verpleegsters bestuderen en mee uitgaan (dit overigens tot grote woede van mijn moeder, die de dames in de verzorgende beroepen helemaal niet zag zitten voor mij). Voorts was ik een regelmatige bezoeker van de keuken, waar uitstekend gekookt werd. Eigenlijk at ik dagelijks tweemaal warm. Op een gegeven moment werd ik gevraagd om de boekhouding te versterken en zo kwam ik bij de heer Hubers terecht.  In die tijd kon je bouwpakketten kopen van de eerste generatie transistorversterkers en Hubers had zo'n bouwpakket gekocht. 's Middag zei hij steevast tegen mij: Olthof, sluit jij de deur aan de binnenkant even af. Ik ga nu klussen. Zijn onderste la van zijn bureau ging open en daar begon de boekhouder met solderen aan zijn versterker.  Ook hebben Hubers en ik de recreatie ruimte van de verpleegsters ingericht en een discjocky vulde de avond met populaire plaatjes.

Een leuke tijd geweest.

Groetend,

Rob Olthof

Een ‘stout’ biertje

De laatste czarina van Rusland, Catherina II had last van bloedarmoede. Haar dokter schreef haar een recept voor.

Dat recept blijkt een bier te zijn van het soort "stout". U kunt het dus vergelijken met Guiness.

Dat stoutbier is de "Rolls Royce"onder de bieren. Een brouwer uit Zeeland maakt dan bier.

Heerlijk. Hoort eigenlijk thuis in de Hermitage!

Groet

Rob Olthof

Dichterlijke inspiratie

Dit is het gedicht dat ontstond toen (en nadat) ik luisterde naar de "Vocalise" van Rachmaninoff.

Voor de Hermitage.

Vocalise

hoe nanacht
langzaam naar het einde
hoe nevels heuvels wijd
de geesten af en aan
en toch hoe alles wacht

dan breekt de dageraad
ruist in het dal de regen
rijst boven alle heuvels
een licht zo groot zo schoon

de eerste dag
de eerste toon.

Vriendelijke groeten,
Anneke Groot, Veendam.

Een rondgang door de Amstelhof

L.S.

In 2006 was ik vier maanden in de Amstelhof om te revalideren. Toen ik zo ver was dat ik zelf in de rolstoel rond kon rijden, ben ik het hele gebouw doorgegaan om alles in me op te nemen. Het was dan wel erg oud, maar het had toch zijn charme.

Vooral de kerkzaal vond ik mooi. Prachtig met al die oude wandborden en het orgel. Er waren soms optredens, elke zondag een kerkdienst, maar ook werd er ouderen gym gegeven. Als was ik dan niet oud ik deed er toch maar aan mee.

Ook had je vanuit de zaal een mooi gezicht op de Amstel en met het concert op 5 mei zat je eerste rang.

Ik was dan ook blij om met de opening te zien dat de kerkzaal weer heel mooi gemaakt is, trouwens het hele gebouw straalt een pracht uit. Ik hoop er dan ook eens binnen te kijken, als het over een tijdje niet meer zo druk is.

Heel veel succes gewenst, vriendelijke groeten, Riet.

Het ene gebit is het andere niet…

Begin jaren '50 werkte mijn vrouw (Henny Doets) als verpleeghulp een poos in Amstelhof, dat toen -dacht ik- nog net Oudeliedenhuis heette.

Ik had verkering met haar en vaak haalde ik haar op na haar diensttijd. Ik werd altijd vriendelijk ontvangen door de portier, waarna ik mocht plaats nemen in de regentenkamer schuin tegenover de ingang, om op haar komst te wachten.

Toen vond ik 't al een prachtig en vooral interessant gebouw. Je kon de geschiedenis daar letterlijk ruiken. Mijn vrouw was vooral gefascineerd door de enorme doolhof aan gangen en niveauverschillen van de vloeren.

Op een keer kwam zij mij blozend tegemoet in de regentenkamer. Ze zei:"Willem, wat ik nou heb meegemaakt hoop ik nooit meer mee te maken. Gisteravond na het eten moest ik zoals gebruikelijk de kunstgebitten van een twintigtal bejaarden schoonmaken". En hoewel zij altijd bijzonder accuraat was, gebeurde er het volgende:

De eerste de beste die haar gebit in de mond stak, riep verschrikt:...dit past niet!...

Wat was er gebeurd? Mijn vrouw moet tijdens haar schoonmaakhandeling toch afgeleid geweest zijn, want niets paste meer bij niemand. En het ligt voor de hand: als je één gebit verwisselt, dan ligt natuurlijk de hele boel door elkaar.

En dat was dus ook zo en het gevolg was dat de 20 bejaarden urenlang nodig hebben gehad vóór iedereen weer tevreden en veilig kon klappertanden.

Zo zie je maar hoe een routinehandeling die altijd puntgaaf was verlopen toch op een keer grandioos fout ging. Over deze hilarische gebeurtenis hebben we achteraf nog vele malen in een deuk gelegen.

Mijn vrouw vertelde mij ook nog dat haar gezegd was, dat in vroeger tijden in de tuin een complete veestapel (varkens en koeien) rondliep, bestemd voor eigen gebruik in de keuken van het tehuis. Ook in slechte tijden zouden ze dan altijd  verzekerd  zijn geweest van voldoende voedsel. Ze zullen daar ook wel een eigen bakkerij hebben gehad, denk ik zo.

Ik herinner mij ook nog daar eens een hele verzameling ouderwetse hoorapparaten te hebben gezien, grote koperen kelken die tegen het oor aan werden gedrukt om beter te kunnen horen.

Helaas is mijn vrouw kort geleden overleden. Wat had zij graag samen met mij de Hermitage willen bezoeken!

Tot zover,

Willem Heiloo te Alkmaar

Het levensverhaal van Wil van Joolen

Wil van Joolen - Kuil (1923-2007)

De Amstelhof

Op een keer, ik was veertien, stuurde mijn vader me er op uit om chocoladerepen te halen. Op de terugweg ben ik gevallen en stootte ik mijn hoofd tegen een paaltje. Hersenschudding. Ik zat in de tweede klas van de Mulo maar omdat ik met die hersenschudding thuis moest blijven, ben ik achterop geraakt. Mijn vader vond het goed dat ik ging werken. Mijn eerste baan was op het kantoor van S. J. de Vries, een modebedrijf in de Warmoesstraat, ik moest loonbriefjes uitschrijven voor de werknemers. In die tijd heb ik mijn typdiploma behaald bij Instituut Schoevers.

Een schoolvriendin werkte bij de Stichting Diaconie Oude Vrouwenhuis aan de Amstel, en in de oorlog ben ik daar terecht gekomen als verpleeghulp. We verdienden 25 gulden per maand en je moest zelf voor je uniform zorgen. Vanwege de oorlog had je overal textielbonnen voor nodig, en dan was er nog niet veel. Van een tante die dienstbode was geweest kreeg ik gelukkig een jurk en een schort. Alles werd gemerkt en het huis deed de was. Veel te eten kregen we niet. Ik ben daar zo mager geworden —we kregen niks dan suikerbieten en brood met kunstboter, omdat het oorlog was— dat ik daar van mijn ouders weg moest. Van april tot december 1945 ben ik thuis geweest. In die tijd heb ik een paar maand op het distributiekantoor gewerkt bij de gemeente, valse bonnen uitzoeken die we tijdens de oorlog kregen voor het eten, kleding enzovoort.

Wij werden streng opgevoed, waarden en normen, waar je tegenwoordig zoveel over hoort, kwamen niet eens ter sprake, daar had niemand het ooit over, je wist wel hoe het hoorde, en als je ouders niet wilden dat je iets deed, dan gebeurde het ook niet. Toen ik verliefd werd, en droomde over trouwen, toen staken mijn ouders er een stokje voor omdat die jongen, Frans heette hij, uit een gezin kwam dat naar een andere kerk ging.

Op 1 december 1945 ben ik weer in de verzorging en verpleging gegaan bij de Diaconie. We maakten lange dagen daar. Je werkte negen uur per dag, en we waren één dag in de week vrij. De nachtdienst was veertien dagen werken en daarna was je drie dagen vrij. Het was in die tijd niet anders. Er was geen 5-daagse werkweek. Iedereen werkte zes dagen in de week. Zaterdag was nog geen vrije dag. Dat is veel later gekomen. Wanneer weet ik niet meer. We maakten daar ook wel eens rare dingen mee, dan vond je een prothese onder het bed, of een lijk in de badkamer…

De regentes en regenten hadden een verbeelding van heb ik jou daar. Als je er eentje tegenkwam, dan was het een heel klein knikje, of helemaal niks! Je was toch maar een personeelslid, dus je behoorde tot de minderen. Er werd ook geen zuster gezegd, maar juffrouw!

Rond 1954 kwam er een andere directie in dienst bij de Amstelhof, Jan en Jannie van Joolen. Ze waren minder afstandelijk dan de eerdere directie, de heer en mevrouw van den Hoorn. De van Joolens wilden dat wij hen Oom Jan en Tante Jannie noemen.

Mijn vriendin Annie en ik gingen graag naar de film, soms gingen we wel eens twee maal op één dag, en we gingen ook wel naar de kroeg 's avonds.

Oom Jan was soepel, maar als je 's avonds ná kwart over elf  thuis kwam, dan moest de nachtzuster de deur voor je open doen, en je naam noteren. Dan werd je de volgende dag bij hem op het matje geroepen, en dan kreeg je een preek over het feit dat als je zo laat thuis kwam je 's morgens niet capabel zou zijn om te werken… Maar ik was nooit te moe na een avondje uit hoor.

Na vijftien jaar op de Amstelhof, ben ik in 1960 in een verpleeghuis in Zaandam gaan werken.

Door de jaren heen heb ik altijd contact gehouden met de van Joolens, en nadat tante Jannie is overleden ben ik met Jan getrouwd.

--/--

Uit: 'Een leven in de zorgverlening', het levensverhaal van Wil van Joolen - Kuil

Opgetekend en geredigeerd door Judith van Praag

Seattle, 2007

Een grachtenpandje aan de Amstel

Onze moeder kreeg in 1994 een herseninfarct, en werd opgenomen in het st lucasziekenhuis. Na verpleging en revalidatie werd algauw duidelijk dat zij verder moest herstellen in een verpleeghuis.

Het was het Amstelhof waar plaats en expertise aanwezig is om te zorgen dat ze weer zelfstandig kan functioneren in haar eigen huis, maar helaas, het is al snel duidelijk dat terugkeer naar haar eigen woning geen optie meer is, dus mijn 3 zussen en ik hebben met onze moeder gesproken en gezegd dat het haar eigen beslissing moet zijn of zij in het Amstelhof wil blijven. Ondanks dat dit erg moeilijk is, wordt de knoop doorgehakt en werd dit haar definitieve thuis.

Nadat zij op een mooi plekje zit met uitzicht op de "Magere brug", komt ze tot de conclusie dat ze altijd wel een grachtenpandje heeft willen hebben en dat dit nu ongewild uitgekomen is.

Op 31 augustus 1997 overlijdt onze moeder in verpleeghuis Amstelhof. Zij heeft daar dankzij de goede zorgen van het personeel 3 jaar met plezier, voor zover je van “plezier” kunt spreken als je niet meer in je eigen huis kunt verblijven, gewoond.

We hebben menig keer in de kerkzaal gezeten, met uitzicht op de Amstel oa. om haar verjaardag te vieren, en de kerstdagen en oudejaarsavond met haar door te brengen.

We hebben goede herinneringen aan het Amstelhof, en ik ben zeker van plan om de Hermitage te bezoeken, al is het alleen maar om te zien hoe het grachtenpandje van onze moeder er nu uitziet.

Met vriendelijke groeten

Lenie de Warm-Zweers

Coby Zweers

Marja Beyer

Erica London

Als de krokusjes weer bloeien

Geachte mevrouw, mijnheer, lezers,

Wat een prachtig idee, om deze site open te stellen voor al die honderden "Amstelhof" herinneringen. 

Mijn moeder was ook een van de bijna laatste bewoners van dit verpleeghuis en wij maakten de aanzet naar de verbouwing mee middels tekeningen van het toekomstig interieur en het langzaam leeglopen van het huis - waardoor de woonomstandigheden verbeterden: niet meer met 6 maar met 4 mensen in de slaapkamer - nog mensonterend...

2003

Mijn broer en ik liepen zwijgend weer richting Amstel, nadat we een eerste inspectiebezoek brachten aan De Amstelhof. Wat een 19de eeuwse toestand, wat donker, wat deprimerend...Het vooruitzicht dat onze lieve Mam daar nu haar laatste levensperiode moest doorbrengen vond ik hartverscheurend en de tranen sprongen me in de ogen. Maar ze lag nu, na een ingrijpende heupoperatie, al vier maanden langzaam te sterven in het ziekenhuis en moest daar weg. Hoe lang zou ze nog hebben? De chirurg had zijn harde boodschap in één zin uitgesproken: operatie geslaagd, maar u kunt en mag nooit meer staan en lopen, dus u kunt niet meer naar huis - punt. 

Bijna huilend brachten we haar naar De Amstelhof, waar ze weken zweefde op het randje van de dood. Maar de verzorgers en verplegers gaven niet op - en Mam toen ook maar niet, met alle doorzettingsvermogen dat ze altijd bezat.

Van het bed toch weer in de aangemeten rolstoel naar de huiskamer: de hoekkamer die het mooiste uitzicht van Amsterdam biedt, over de Amstel met de Blauwbrug, de woonschepen van de zijgracht, de passerende rondvaartboten, de zwanen die jaarlijks nestelen, de lichtjes 's avonds....het was prachtig!

Al snel had Mevrouw Douwes zich genesteld aan de hoektafel en zich omringd met haar boeken ("ik lees nu toch maar weer iets Frans"), haar vele planten, stekjes, borduurwerkjes, de vele brieven en kaarten die bleven komen, plus de gemiddeld zes glazen water, koudgeworden thee, lauw geworden limonade en een pakje "astronautenvoer". Op dat alles, met dat uitzicht, met de ongelooflijk liefdevolle zorg die ze ontving, met haar sterke geest en wil, met alle activiteiten waar ze gretig gebruik van maakte, heeft ze het nog ruim twee jaar volgehouden.

Ik bezocht haar elke 2 weken, kon helaas niet vaker met mijn drukke full-time baan, maar bleef dan een halve dag. Als het maar even kon genoten we van de tuinen: de mooie krokusveldjes in het vroege voorjaar, het vijvertje, de prachtige kastanjebomen, de rust en de vertroosting die al dat groen bood. We namen nog intensiever de wisseling der seizoenen waar ("hoe vaak nog" was de onuitgesproken vraag) en lazen er beiden de krant, elk met een "oortje" aan de meegebrachte discman met klassieke muziek - en Charles Aznavour. Het glaasje sherry was het hoogtepunt van elk bezoek en bracht altijd die ondeugende, maar ladylike twinkel in haar ogen. "Nou graag kind!"

Februari was erg; daar kon ze slecht tegen."Als eerst de krokusjes maar weer bloeien" en als dat gebeurde vond ze dat ze nog wel weer een jaartje mee wilde. Februari 2005 was het op; ze stierf terwijl de krokusjes hun groen aarzelend boven de grond staken.

Eén keer ben ik teruggeweest naar haar hoekje bij het raam. En nu loop ik met tranen in m'n ogen langs dat hoekraam, haar raam, waar nu zoveel prachtigs te bewonderen valt. Ze hield intens van kunst, antiek, porselein, muziek: van schoonheid.

Ik ervaar de Hermitage als een persoonlijk monument voor mijn moeder.

Lieve Mam, het is er prachtig, wat zouden we genoten hebben.........

Moge duizenden mensen genieten van mijn moeders hoekje; ik zal er vaak terugkeren.

Met mijn beste wensen voor dit schitterende museum.

Hilda Roland, trotse dochter van Mevrouw Betty Douwes,

Weesp

Voor altijd aan de Amstelhof verbonden

Vriend van een gebouw

De  Amstel is wat mij betreft de mooiste rivier van Nederland. Vooral in de winter, als het licht grijs is, kleuren vervagen  en er een zweem van mist over het water hangt.  Soms is er een begin van een zonnetje van rechts  als je vanaf de Blauwbrug naar het zuidoosten kijkt. In de zomer is het oranjerood van de ondergaande zon achter de zwarte silhouetten van de stad fantastisch om te zien. (Op de burg omdraaien, blik naar het westen.)

Altijd was aan de Amstel de Amstelhof aanwezig. Huis voor hulpbehoevende armen. Bejaardenoord. Een eenvoudig, maar indrukwekkend groot gebouw, dat rust en betrouwbaarheid uitstraalt. Het stond er al zo lang, het zou nooit verdwijnen. Een illusie natuurlijk, want alles verandert.

Nu is het museum en heet Hermitage, met kunst uit Sint Petersburg. Oude mensen hebben plaats gemaakt voor Russische pracht en praal.

Ik ben er binnen geweest (met vele anderen) op de dag voordat de aannemer zou gaan verbouwen. Ik kwam er nooit toen er verpleegd en verzorgd werd. Toch voel ik me ermee verbonden en dat komt voornamelijk door mijn man, die in Amsterdam werd geboren, en er jarenlang woonde, tot hij vanwege werk naar elders vertrok.

De oma van zijn vroegere echtgenote woonde in de Amstelhof. Toen ze lang geleden tegen verkiezingstijd briefjes onder haar mede-bewoners verspreidde, met de oproep om PvdA te stemmen omdat die partij beter voor de ouderen zou zorgen, kreeg zij de hele organisatie over zich heen. De Amstelhof, van christelijke signatuur, werd boos. Werven voor een politieke partij, dat mocht blijkbaar niet. Als straf kreeg ze huisarrest. De vrijheid van meningsuiting, alhoewel verankerd in de Grondwet, verdween in die voorbije jaren gemakkelijk  in een diepe kast.

Mijn man had twee zusters, van wie er een direct na de Tweede Wereldoorlog naar Ierland vertrok. De andere bleef Amsterdam trouw en belandde uiteindelijk ook in de Amstelhof. Het probleem met deze zus was dat contact altijd verzandde in een vreemd soort onenigheid.

Ze bedacht zelfs een ultieme strafmaatregel. Ze verbood haar broer op haar begrafenis te komen. Ik ken, behalve deze, geen ruzies die zo eindigden. Het vreemde was dat ze toch af en toe een levensteken stuurde. Wij wisten dat haar man op zeker moment in de Amstelhof was opgenomen. En op een dag kwam er een overjarige ansicht van het gebouw, met als aanhef “Beste Broeder”. Niemand die zijn broer zo aanspreekt. Zij wel. Het bleek dat ook Kitty, zo heette ze, nu in de Amstelhof woonde. Ze had tijdens een bezoek in de tuin gewandeld, was gevallen, had haar heup gebroken, en kon niet meer naar huis.

“Moet je er niet naar toe”, vroeg ik aan mijn man. “Nee”, zei hij. “Moeten we dan niet een kaartje sturen?” Ook dat vond hij niet nodig. Ik vond het vreemd en tot op de dag van vandaag is het me blijven achtervolgen. Niet heftig, maar toch. Ik had natuurlijk net zo goed zelf een kaart kunnen sturen. Nu vroeg ik me, in de tuin van de Hermitage vlak voor de grote verbouwing en later op de Vriendenavond, af waar ze dan was gevallen. Op de trappetjes? In het gras?

Mijn man is inderdaad niet naar Kitty’s begrafenis geweest. Hij wist niet eens dàt ze dood was. Ze stuurde wel lange, moeizame brieven naar Ierland. Toen die uitbleven belde haar Ierse zus naar het verpleeghuis om naar haar te informeren. Zo kreeg zij te horen dat Kitty al geruime tijd geleden was overleden. Wanneer, waar, hoe, dat alles mocht en kon de Amstelhof haar niet vertellen. In paniek belde ze naar haar broer.

Vreemd genoeg kwam die nu wel in actie. Hij wilde beslist weten wanneer Kitty was gestorven. Wij togen naar het stadhuis, Amstel 1,  in Amsterdam. Werden doorgestuurd naar het Bevolkings Register aan de Stadhouderskade. En daar wilde de ambtenares achter de balie de vraag niet beantwoorden. Dat zou de privacy schenden. Alleen familie kon die informatie krijgen. “Maar ik ben haar broer”, riep haar broer. De ambtenares was niet te vermurwen. Wij konden haar een kwartier aan de praat houden, zij deed hetzelfde met ons. Het leidde tot niets. Terug daarom naar het stadhuis, afdeling voorlichting. Men hoorde ons verhaal aan, en vond het gek. Er werd gebeld, er werd excuus gemaakt, de datum werd verteld. 

Kitty overleed  13 september 1997 in de Amstelhof. Wie haar begraven/gecremeerd heeft, het bleef ons onbekend. Ze werd 75 jaar.

Haar Ierse zuster overleed twee jaar later, ook in september, 81 jaar.

Hun broer, mijn man, overleed 26 december 2008, 83 jaar. Op Tweede Kerstdag, zodat je zijn einde nooit zal vergeten, als je dat al zou willen.

Het vuurwerk, de fakkels, al het spektakel op de rivier bij de opening van de Hermitage, het riep bij mij vooral de herinneringen op aan die drie mensen, die zo onuitwisbaar in mijn leven aanwezig waren.

In januari 2009, in de week na het afscheid van mijn man, fotografeerde ik de Amstel. Het grijze water (een enorm oppervlak met kleine golfjes), links de voormalige Amstelhof,  schepen langs de kade, in de verte de Magere Brug. Je kunt vermoeden dat ze zon doorbreekt, maar dat duurt nog even.

Ik ben  nu vriend van de Hermitage. Er zit weinig anders op dan dat te blijven. Een band met een gebouw. Herinnering aan voorbije levens.

Delft, 19 juni 2009, Els Kemper.

Een geheimzinnig paleis

Het was begin jaren vijftig dat mijn opa en opoe werden opgenomen in Verpleeghuis Amstelhof. Het ging niet langer thuis. Opoe had een tweede beroerte gekregen en opa werd steeds vergeetachtiger. Ik was nog een kind, maar weet nog goed hoe moeilijk het voor iedereen was.

Opa en opoe waren al heel, heel lang samen. In Amstelhof werden ze gescheiden. Opa naar de mannenslaapzaal. Opoe naar de vrouwenslaapzaal.

Overdag mochten ze bij elkaar zitten.

Zondags gingen wij vaak op bezoek. Voor mij, mijn zusje en broertje en wat nichtjes, was dat geen straf. Amstelhof was nog niet verbouwd en je kon uren dwalen door enorme gangen en geheimzinnige kamers. In mijn ogen was het een soort paleis.

Alleen rook het er erg vies, naar lysol werd mij verteld. Vanwege die lucht ging mijn moeder niet graag mee. Zij was opgegroeid in een weeshuis en die ontsmettingslucht bracht nare herinneringen met zich mee. Ik weet nog dat papa zijn vader (mijn opa dus) eens had opgehaald voor een bezoek bij ons thuis. Opa had echt zo'n gestichtslucht bij zich en ik weet nog dat mijn ouders dat heel erg vonden.

Met mooi weer speelden we in de tuin. Deze was oneindig groot in onze stadse kinderogen. Amstelhof was een wereld op zich.

Toen opa en opoe zestig jaar getrouwd waren, was er een diner in een heel grote en prachtige kamer. Er zijn geen foto's van, maar ik weet nog dat we bloemkool met saucijsjes aten en dat de tafel gedekt was met mooi servies en versierd met rododendrons. En dat de directeur een toespraak hield.

Opa had het er eigenlijk best naar zijn zin. Hij ontmoette andere oude mannen en hij bloeide op. Opoe was verdrietig. Ze kon niet zo veel meer en was erg afhankelijk geworden. En dat voor een vrouw die tot op zeer hoge leeftijd nog gewerkt had. Mijn opoe was bijna haar hele leven, behalve huisvrouw, dienstbode geweest bij een "rijke" familie. Je ziet ze tegenwoordig alleen nog in kostuumseries op televisie. Zo'n oude, trouwe dienstbode.

Toen kwam de dag dat opa zich erg kwaad maakte bij een potje domino. Volgens hem speelde zijn tegenspeler vals. Opa stond op, pakte zijn onafscheidelijke hoed en viel dood neer. Opoe was ontroostbaar. Lichamelijk ging ze snel achteruit en ze kwam haar bed niet meer uit. "Ik ga naar vader", zei ze. En hoewel ze zeer gelovig was, bedoelde ze hier toch echt opa mee. Drie maanden later overleed ze. Ze konden niet zonder elkaar.

Toen er twee jaar geleden die open dag was, ben ik met mijn man wezen kijken. Meer dan een halve eeuw later. Ik zag de verbouwingen. Ik zag de zaaltjes en kamertjes. Het stonk niet meer naar lysol. Ik vond het verschrikkelijk. In mijn jeugdherinnering was Amstelhof altijd een soort paleis geweest. Hoog en groot.

Goed dat het weer een paleis is geworden.

Dit zijn mijn herinneringen aan Amstelhof.

Ze zijn heel persoonlijk. Mijn ouders zijn al jaren geleden overleden, maar als ze er nog geweest waren, dan hadden zij ongetwijfeld een heel ander verhaal verteld.

Vreugde en verdriet in de Amstelhof

Mijn verhaal over Amstelhof, 1963-1966.

Dat begint in juli 1963. Ik was 17 toen ik reageerde op een advertentie in onze streekkrant in Goeree-Overflakkee. Ik solliciteerde en een week later (!) verhuisde ik naar Amsterdam. Intern als aspirant leerling ziekenverzorgende.

Mijn eerste indruk van Amstelhof was dat ik dacht: hoe vind ik hier ooit de weg? Een doolhof van lange gangen, hoekjes, deuren, trappen en trapjes. Maar ook twee prachtige binnentuinen met koerende duiven in de hoge bomen. Die binnentuin was overigens doodeng ’s nachts als ik nachtdienst had op het mannenpaviljoen dat achterin de tuin stond met niet ver daar vandaan het mortuarium. Middenin de nacht werd er gegeten in het hoofdgebouw dus dan liep je daar alleen heen en terug door de tuin. Maar ook de gang door het hoofdgebouw was niet altijd even prettig. Eens hoorde ik iets achter me en zag nog net een rat wegschieten..!

En bij het moeten afwassen in de eetkeuken, vlakbij de kerkzaal, voelde ik me ook onbehaaglijk, helemaal alleen in dat gedeelte van het huis. Thuis was ik nooit bang, in Amstelhof ben ik dat wel geworden.

Maar laat ik nu niet de indruk wekken dat het een straf is geweest om er te werken, integendeel: de twee-en-een-half jaar dat ik er gewerkt heb zijn de belangrijkste vormende jaren van mijn leven geweest. Ik pak er mijn dagboek bij en geef een beschrijving van m’n eerste werkzaamheden op zaal, in de keuken:

Eerst afwassen, dan koffie zetten en schenken, zelf koffie drinken, kopjes afhalen en afwassen, keuken dweilen, tafels dekken en eten rondbrengen, zelf eten, afwassen van 32 mensen, thee zetten en rondbrengen, melk warmen en schenken, koffie rondbrengen en thee, eieren koken, tafels dekken en de wagen van het ontbijt klaarmaken. Tafels afruimen en zingen en bidden. Dan als je op de zaal werkt:

Eerst de mensen wassen en aankleden, naar zaal brengen, bedden opmaken, koffie drinken, slaapzaal soppen, mensen op de po zetten, bakken schoonmaken. ’s Middags weer “potten”, kleren borstelen, spreien afhalen en waterkopjes neerzetten, thee drinken, wasbakken en po’s schoonmaken, “potten” en sommigen naar bed brengen. Dan helpen met eten en afruimen. Ik schreef er nog bij dat ik het het leukste vond om de mensen te wassen en aan te kleden. Er waren kamers voor echtparen, maar het grootste gedeelte van de bewoners woonde op zaal, verdeeld in mannen en vrouwenzalen en in lichamelijke en psychische ziektes. Zaal R en zaal I bijvoorbeeld waren voor de vrouwen en mannen die “in de war” waren. Dat vond ik in het begin eng maar later waren het mijn favoriete afdelingen, vooral zaal R. De zalen bestonden uit een grote slaapzaal met naast de bedden een nachtkastje en een zaal waar de bewoners overdag rond een tafel zaten, iedereen op z’n vaste plek. Weinig privacy dus maar daar had ik toen geen erg in.

Zelf woonde ik boven de zalen, in een kamer voor twee en later een eenpersoonskamertje met uitzicht op de binnentuin waar ik op de brede vensterbank gezeten heerlijk voor het raam kon lezen.

Al snel draaide ik mee in alle diensten: dagdienst, avonddienst en nachtdienst. Heel veel nachtdiensten! Dan liep ik mijn ronde in het mannenpaviljoen met twee of drie verdiepingen, over de slaapzalen met een zaklantaarn om te zien of alles goed was en werd dan soms plotseling uitgescholden omdat ik te lang had geschenen. En maakte ik de kamer op de begane grond schoon en werd er plotseling op de ramen getikt door langslopende mannen.

Ook herinner ik me een Oud en Nieuw die ik samen met een bewoonster doorbracht, allebei een bonbon en een glas limonade en zo gingen we het nieuwe jaar in. Waarbij iedereen iedereen hielp, allemaal jongeren, veel foto’s gemaakt en om 8 uur ’s morgens met z’n allen een taxi naar het Centraal genomen om naar huis te gaan.

Maar ook m’n eerste dode staat in m’n dagboek, ik ging controleren op de ziekenzaal en zag haar liggen, bloed op haar gezicht en het laken en iets perkamentachtigs op haar huid, ik voelde haar pols maar wist niet zeker of die van mij nu klopte of van haar. Het was een heel klein vrouwtje die al meer dan 45 jaar in het Huis woonde, Betje Holst. Ik kon wel janken zo zielig vond ik het dat ze alleen gestorven was. En zo zijn er nog een aantal gevolgd, iedere keer vond ik het weer indrukwekkend, maar de eerste dode maakte de meeste indruk.

Maar ook heel veel gelachen met elkaar, zowel onder het werk met de bewoners als ’s avonds onder elkaar op de gang, muziek keihard aan, dansen, verkleden en praten, praten, over van alles wat we meegemaakt hadden en waar we ons over beklaagden of om konden lachen. Samen naar de film, de stad in, op vakantie en/of mee naar huis.

Maar ik hield niet voor niks een dagboek bij, heb me ook veel alleen gevoeld en had sterk de behoefte om te schrijven en over mezelf na te denken.

En de opleiding was daarbij ontspanning, met zr. Vitner als hoofd opleiding over de verzorging en verpleging, dr. Stuit als geneesheer-directeur over anatomie, broeder Pitstra die les gaf in verbandleer en EHBO en mw. Haberman in algemene ontwikkeling. Met de praktijkopdrachten daar tussendoor. Wij waren de eersten die na de diplomering later nog het staatsinsigne ziekenverzorging kregen omdat de opleiding pas in maart 1966 officieel erkend werd.

En ieder jaar gingen we met de bewoners naar het Henri Dunant huis in Zeist. Dat waren heerlijke ontspannen en inspannende dagen, vroeg op, laat naar bed, overdag de hele dag bezig om het de bewoners naar de zin te maken, wandelen door de mooie omgeving enz enz. En aan het eind de bonte avond, die georganiseerd werd door meneer en mevrouw Leker.

Maar we zijn ook een keer met 200 bewoners door de grachten en havens gevaren, er kwamen toen veel herinneringen bij de mensen boven.

Degene waar ik het meest van geleerd heb was zr. Vitner, hoofd van de verzorging. In m’n tweede jaar kreeg ik naast zr. Vitner de verantwoording over zaal R en ik heb me daar met hart en ziel ingezet. En kreeg er heel veel liefde voor terug. De namen staan in mijn dagboek en ik kan ze zo voor de geest halen. Ben zelfs een keer in de wc opgesloten door Bertha, een grote zware vrouw, beresterk, die iets wat ik deed niet zinde. Gelukkig was er een open muurtje tussenin waardoor ik in de andere wc kon komen die niet op slot zat.

Mw. Ballegooi was een ander verhaal, zij was niet dement maar had afasie en ik heb dat mede ontdekt, nog heel lang ging ik haar opzoeken op zaal N waar ze naast mej. Nolte zat en altijd straalde als ze me zag, ik heb wroeging dat ik haar niet ben blijven ontmoeten.

Met zr. Vitner praatte ik ook over boeken maar ik leerde het meest nog van haar door het voorbeeld wat zij gaf. Zij stimuleerde mij ook om door te leren en de verpleegkundige opleiding te gaan doen, zoals zij was wilde ik ook worden.

Later hoorde ik dat ze directrice van Amstelhof geworden was.

In maart 1966 vertrok ik om de A-opleiding in Delft te gaan volgen. Ik heb nog heel veel heimwee naar Amstelhof gehad. Die opleiding heb ik na twee jaar afgebroken, o.a. doordat ik m’n man ontmoette waar ik al 40 jaar het leven mee deel.

Maar later heb ik nog wel de maatschappelijk werk opleiding gedaan met in mijn achterhoofd een functie in een verpleeghuis te gaan zoeken.

De berichten over de verbouwing van Amstelhof in de Hermitage heb ik zo veel mogelijk gevolgd en ik hoorde helaas te laat dat er een voorbezichtiging was voor oud bewoners en personeel. Een paar weken geleden was ik er, het was prachtig, maar ik vond maar weinig meer terug van “die goede oude tijd” Wat zou ik graag nog mensen willen zien en spreken die er in mijn tijd ook gewerkt hebben en herinneringen ophalen.

Wat ik nu geschreven heb is uiteraard maar een klein gedeelte van hoe het allemaal was. Daarom wil ik graag namen noemen, in de hoop dat er gereageerd wordt.

Hier de namen:

Collega’s:

Annet van Tinteren, Coby ?, Wim Vermeulen, Minke van Rijsdijk, Truus Noppers, Thea?, Mario Kramer, Sylvia Halberstad, Joke v.d. Born, Willy v.d. Kraats, Dinie Kok

Staf, directie:

Zr. Germans, zr. Vitner, dr. Stuit, broeder Pitstra, zr. Homoet, zr. Regtuyt,

zr. v.d. Berg, mej. Schmid, mw. Leker, mw. Helling, zr. Valstar, zr. v.d. Scheer.

Vriendelijke groet.

Joke ( zr. Meijer)

Een onverwachte terugkeer

Van de Sponsor Loterij Nederland heb ik twee toegang kaartjes gekregen voor de Hermitage in Amsterdam.

Mijn overleden echtgenoot is in St.Petersburg geweest bij de opening daar met de Koninklijke Marine. Veel foto`s zijn er toen gemaakt helaas mag ik die niet laten zien.

Maar het leuke aan deze toegang kaarten is eigenlijk wel dat ik er vandaag op 3 augustus 2009 een dag voor ik naar de tentoonstelling zal gaan er achter kom dat het in het Amstelhof wordt gehouden en daar heb ik mijn op leiding gedaan voor ziekenverzorgende in het jaar 1967. Hier heb ik heel leuke herinneringen aan , zowel de opleiding als met meiden door het oude gebouw te lopen fantastisch was het.

Toen was ik 16 jaar oud  nu ben ik 58 jaar en dat was een heel leuke tijd.

Sonja Smit

S.Nicasie-Smit

De kruidenier

Onlangs werd het verbouwde Amstelhof feestelijk heropend door onze koningin en zagen we het prachtige gebouw met zijn schatten “De Hermitage”.

In één of andere quiz op TV kwam de vraag voorbij wat dit gebouw vroeger geweest was, men wist het niet.

Het Amstelhof, een bejaardenhuis, roept bij mij veel herinneringen op die ik toch wel op papier wil zetten.

Mijn ouders hadden een kruidenierszaak in de pijp en omdat de winkel niet goed liep had mijn vader toestemming te leveren aan de bewoners van het Amstelhof.

Zelf ging hij regelmatig met manden levensmiddelen de zalen af, maar de kinderen moesten ook de handen uit de mouwen steken.

Zodra ik uit school kwam, (Mulo – De Amstelschool in de Lepelstraat) moesten er boodschappen weggebracht worden of allerlei klusjes in de winkel of met de transportfiets naar diverse grossiers.

Op woensdag- en zaterdagmiddag was het altijd naar het Amstelhof.

Dus op de fiets, fiets bij de hoofdingang aan de linkerkant van het gebouw bij de Herengracht, trap op, draaideur, portiersloge, vaste vraag, waar gaat dat heen?, kruidenier!, ga maar.

Rechts af de gang in, grote deuren naar de kerkzaal, langs de raamkant zaten meestal bejaarden met soms bezoek, met kerst een hele grote mooi versierde kerstboom, aan het eind van de zaal weer grote deuren, nog een stukje gang en dan links af.

Lange gang met aan de rechterkant kamertjes waar echtparen woonden, ook wel bejaarden die elkaar in het huis ontmoet hadden, op de binnenplaats zag je dan ook wel verliefde stelletjes op een bankje zitten.

Aan het eind van de gang, rechts de trap op, Zaal G en Zaal H

Op de zalen stonden tafels, de tafels aan de raamkant met uitzicht op de Nieuwe Keizersgracht. Op zaal G zat ook mijn overgrootmoeder, opoe Schwarzwälder, 99 jaar oud geworden en stokdoof, als je tegen haar sprak moest je hard praten in een grote hoorn.

Ik liep dus langs alle tafels en vroeg de dames of ze nog iets nodig hadden van de kruidenier en noteerde hun bestelling met hun naam, namen waren voor mij altijd een probleem, ik kon die nooit goed onthouden en als ik ernaar vroeg was vaak het commentaar, weet je dit nu nog niet! De bestellingen varieerden van een half pondje suiker, een ontbijtkoekje, een rolletje pepermunt, een rol beschuit.

Hierna ging ik beneden nog naar zaal N?, op deze zaal wat zwakkere bejaarden, op zaal D met zieke bejaarden mocht ik niet komen, wel nog een zaal op de binnenplaats onder een poort door aan de kant van de Weesperstraat, Zaal?

Hierna naar de winkel, alles in twee manden, één achterop de fiets de andere op het stuur.

Ik liep dan dezelfde route en had dan niet zoveel problemen met de namen en rekende alles met een grote portemonnee met wisselgeld af.

Vaak liep het dan tegen etenstijd en moest er voor het eten gebeden en gezongen worden.

Dan vroeg de zuster van de zaal, kruidenier wilt u nog een psalm spelen op het orgel, ik had toen pianoles en kon een eenvoudig psalm wel spelen, het moeilijkste was het trappen op de pedalen van het harmonium en hetzelfde tempo aanhouden van het gezang van de dames, lichtelijk vals.

Vanaf 1960 verhuisden wij naar een andere winkel die wel goed liep, ik ging in militaire dienst en op het Amstelhof liep op eens een melkboer rond die de levering zachtjes aan overgenomen had.

Dit maakte ik in het Amstelhof mee vanaf dat ik plus minus 14 jaar was in de vijftiger jaren.

Ik hoop de Hermitage nog vaak te bezoeken en zal dan toch altijd met gemengde gevoelens terugdenken aan die periode uit mijn jeugd.

J.A. Schwarzwälder

De secretaresse

Zoals zoveel mensen heb ook ik aan verpleeghuis Amstelhof hele goede herinneringen. Ik heb er gewerkt van juli 1970 tot december 1974 als secretaresse van de verpleegkundigdirectrice Debora Vitner. Toen zij vertrokken is naar Apeldoorn heb ik ook een andere baan gezocht.

Ook in die tijd werd er al volop verbouwd aan Amstelhof en ben ik diverse keren verhuisd met mijn kantoor. Ik heb o.a. in een klein kantoortje gezeten vlak naast de kerkzaal. Zuster Vitner had toen haar kantoor op de linkerhoek van het gebouw vlakbij de Blauw Brug, een geweldig mooie kamer met allemaal mooie oude elementen.

Ook aan de binnentuinen heb ik prima herinneringen, ik at daar vaak mijn luch als het maar even goed weer was kon je daar heerlijk buiten zitten.

Al met al heb ik daar een prima tijd gehad. Ik ben er al een keer terug geweest toen er nog maar een klein stukje van de verbouwing tot hermitage klaar was. Ik ga zeer zeker nog dit jaar kijken hoe het geheel nu geworden is, en of ik nog dingen en plaatsen kan herkennen.

Met vriendelijke groet,

Lieneke Opmeer

Verkering

U zult het niet geloven, maar wij zijn inmiddels 29 jaar getrouwd en zijn de "rijke" ouders van 2 zonen, nadat wij elkaar middels een vakantiebaan in het voormalig verpleeghuis Amstelhof in 1974 hebben leren kennen.

Ik was 16 (!) jaar en mijn echtgenoot 21jaar. Wij zijn elkaar daar tegengekomen terwijl we beiden vakantiewerk deden.

Ik was werkzaam als vakantie verpleeghulp (mocht "blote mensen" wassen) en mijn echtgenoot was via een uitzendbureau aan het werk ivm " technische klusjes". (zijn stem ging met regelmaat door de intercom met "test 1,2,3")

Wij zijn vanaf die tijd "onafscheidelijk" geweest.

U zult begrijpen dat wij bijzondere herinneringen hebben aan deze plek waar nu de Hermitage is gehuisvest.

Met vriendelijke groet

José Settels

Giethoorn

Mijn laatste wens

Als jong meisje bezocht ik weleens carree, ik wandelde langs dat oude prachtige bejaarden huis, nu de Hermitage. In dat bejaardenhuis wilde ik mijn laatste dagen doorbrengen. Het was een stille wens en bleef een stille wens. Maar in plaats van daar een woning te krijgen bezoek ik nu de Hermitage en ik waan mij in een paleis, ongelooflijk.Een gebouw waar iedereen, in mag, ongeacht rang of stand.

Veel dank, marja boet

Papiamento

Ben in 1969 in de Amstelhof komen werken, mijn vriendin en voormalig collega Nanda Moraal [toen uit Alkmaar] was er al aan het werk gegaan nadat we samen van een 8 maanden avontuur uit Zwitserland en Italie terug kwamen.

Weet nog dat ik een begeleidende taak had t.a.v de jonge [17/18] jarige Antiliaanse meisjes die massaal van de antillen kwamen en de opleiding gingen doen.[werken/leren!]!

Ze zaten vol leven en alles was nieuw, maar ze spraken meestal Papiaments! Dit werd door de directie niet geaccepteerd, in vrije tijd oke, maar op de werkvloer moest er Nederlands gesproken worden.!

Het was erg moeilijk voor ze, het was zo vertrouwd om even met je vriendinnen/collega`s in het papiaments een grap te maken, te lachen om iets stoms, maar ook je meerdere voor iets minder leuks uit te maken zonder dat deze het verstond. Het was dan dubbel lachen geblazen.

Ik moest ze er veelvuldig op wijzen: Spreek Nederlands!!!

Begreep echter maar al te goed dat dat het zo moeilijk voor ze was.

Heb er een fijne maar korte werktijd gehad op een pracht Lokatie.

Hoop heel snel de Amstelhof nu als Museum te gaan bezoeken.

Lidy Rietman.

Openingstijden

Dagelijks 10–17 uur
Gesloten 26 april en 25 december 2014

© State Hermitage Museum, St Petersburg

De Hermitage Amsterdam is gevestigd op de Amstel 51.

Contact

Voor informatie over de tentoonstellingen, de programmering, de online ticketshop, het gebouw en reserveringen van rolstoelen, groepsbezoeken en CKV programma’s:
+31 (0)20 530 87 55

Voor alle overige vragen en voor het kantoor: +31 (0)20 530 87 55

Voor reserveringen van rondleidingen en zalen:
0900-HERMITAGE (0900-437648243) lokaal tarief

Voor het reserveren van audiotours (mogelijk vanaf 15 audiotours) kunt u contact opnemen met reservations@guideid.com

Sitemap

x

Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze maandelijkse nieuwsbrief en wij zullen u op de hoogte blijven houden. Niet alleen van de tentoonstellingen, maar van alle andere activiteiten in de Hermitage Amsterdam. Waaronder de culturele avonden op woensdag, zaterdagmiddag lezingen in het auditorium en de zondagochtend concerten.