Tsarenterminologie

Alexander Nevski

Alexander Nevski (Alexander van de Neva) was de dertiende-eeuwse grootvorst van Novgorod. Peter de Grote eerde hem als beschermheilige van de stad Sint-Petersburg, omdat hij in de veronderstelling was dat Alexander op die plek bij de Neva-rivier de Zweden had verslagen. Peter bouwde ter ere van de heilige een houten klooster en liet in 1724 Alexanders graf daarheen overbrengen. In 1797 kreeg dit klooster de titel ‘lavra’, de hoogste kloostertitel in de Russisch-orthodoxe kerk.

‘Fjodorovna’

Het was Peter de Grote die het Russische hof openstelde voor buitenlandse huwelijken en deze stimuleerde. Hij bepaalde wel dat geen Romanov mocht huwen zonder dat de partners elkaar tevoren hadden ontmoet en toestemden in de verbintenis. Verder gold voor elke buitenlandse prinses dat zij zich moest bekeren tot het Russisch-orthodox katholicisme. Ze kreeg daarbij een Russische voornaam met als tweede naam ‘Fjodorovna’, naar de Moeder Gods Fjodorovskaja. Dit is de beschermende familie-icoon van de Romanovs in het Ipatievklooster (Kostroma), waar Mikhail I in 1613 als eerste Romanov-tsaar werd gekroond.

Juliaanse kalender

Tot 1918 hanteerden de Russen de Juliaanse kalender uit de tijd van Julius Caesar, die in vergelijking met de Gregoriaanse kalender achterloopt - twaalf dagen in de negentiede eeuw, dertien dagen in de twintigste eeuw. De Gregoriaanse kalender werd in de meeste rooms-katholieke landen in de zestiende eeuw ingesteld, terwijl in de oosters-orthodoxe gebieden de Juliaanse kalender bleef gelden. De ‘Oktoberrevolutie’ (begonnen volgens Juliaanse kalender op 25 oktober) heet in de meeste Europese landen ‘Novemberrevolutie’ (7 november volgens de Gregoriaanse kalender).

Kozak

Kozakken zijn vooral bekend als de ongeëvenaarde ruiters uit het leger van de tsaar. Oorspronkelijk waren het overwegend Slavische ‘vrije mannen’ die zich in de Middeleeuwen in Rusland vestigden. Later vormden ze gemeenschappen aan de randen van het Russische Rijk, waar ze leefden van landbouw en veeteelt. De tsaar had een lastige verhouding met de Kozakken: in ruil voor een zekere bescherming kon de tsaar tot op zekere hoogte van hun militaire diensten gebruikmaken. Regelmatig liep het mis: dan kwamen de Kozakken in opstand en brachten ze het Russische leger in de problemen.

Lijfeigenschap

Lijfeigenschap houdt in dat iemands ‘lijf’ wordt beschouwd als eigendom van de eigenaar van een gebied. In die zin lijkt lijfeigenschap sterk op slavernij, met dit verschil dat lijfeigenen (of horigen) een gezin mochten stichten en een stukje land bebouwen. In Rusland konden lijfeigenen van herenboeren nog tot in de negentiende eeuw zonder hun gezin en land worden doorverkocht. Daaraan maakte tsaar Alexander I een einde. Hij stelde ook in dat het herenboeren was toegestaan hun lijfeigenen – tegen een afkoopsom - de vrijheid te geven. In 1861 kwam er definitief een einde aan de lijfeigenschap, een beslissing van tsaar Alexander II.

Metropoliet

In de Russisch-orthodoxe Kerk staat de metropoliet aan het hoofd van een kerkprovincie, vergelijkbaar met een (aarts)bisschop in de Rooms-katholieke Kerk.

Oekaze

Een oekaze was in het Russische tsarenrijk een wetsverklaring van de tsaar. Dit decreet was bindend en moest worden uitgevoerd: vandaar de algemene betekenis van het woord – een bevel dat móet worden opgevolgd. In de Sovjettijd bleef de term gehandhaafd. Vanaf 1993 staat de oekaze gelijk aan een presidentieel besluit.

Patriarch

De patriarch staat in orthodox-katholieke gebieden aan het hoofd van de Kerk. In het Rusland van de Romanov-tsaren was echter de tsaar zowel wereldlijk als de kerkelijk leider. De patriarch had dus eigenlijk een soort decoratieve functie. Tijdens de regering van de eerste Romanov-tsaar Mikhail was de patriarch diens eigen vader, Fjodor Romanov. Peter de Grote verving de patriarch door de Heiligst Regerende Synode, een kerkvergadering naar protestants model. Deze adviseerde de tsaar bij zijn beslissingen die de Kerk betroffen.

Protocol

Hofprotocol betekent zoveel als: ‘hoe met de heerser moet worden omgegaan’. Het protocol is het geheel aan regels, rituelen en organisatie van het hof. De eerste Russische tsaren stelden hun protocol op naar voorbeeld van het keizerlijk hof in Byzantium. Peter de Grote hervormde dit oosterse protocol in de achttiende eeuw naar voorbeeld van de West-Europese vorstenhoven van die tijd. Dit ontwikkelde zich in de negentiende eeuw tot verzameling strenge regels over wie wat mócht en móest doen, de rolverdeling aan het hof, het gewenste gedrag van elke hoveling, de opstelling tijdens officiële bijeenkomsten en het verloop van alle ceremonies. Iedereen kende zijn plaats, ook en vooral de tsarenfamilie zelf.

Regalia

Regalia of rijksinsigniën zijn de tekenen van de soevereine macht (regale voorrechten) van een vorst, koning of keizer. In het tsaristische Rusland bestonden de regalia uit: twee kronen (de grote voor de tsaar, de kleine voor de tsarina, beide als symbool van waardigheid), de kroningsmantel, de scepter (symbool van gezag), de rijksappel (een kleine wereldbol met een christelijk kruis erop, symbool van grondgebied). Het staatszwaard (symbool van macht), het staatsvaandel en het staatszegel waren tijdens plechtige optochten te zien. Het rijksschild werd alleen gedragen bij een keizerlijke begrafenis.

Romanovs

De Romanov-dynastie van de Russische tsaren begon met Mikhail I in 1613. Hij was de eerste tsaar uit de adellijke familie met de naam Romanov die over Rusland regeerde. In de mannelijke lijn stierf de familie uit met de dood van Peter II in 1730. Zijn tante Elizabeth I was de laatste echte Romanov-tsarina. In 1762 ging de troon over op Peter III, een andere kleinzoon van Peter de Grote, die als titel ‘hertog van Holstein-Gottorp’ droeg. Na Peter III regeerde het tsarenhuis verder als ‘Romanov-Holstein-Gottorp’, te beginnen met zijn vrouw Catharina II de Grote. Na ruim 300 jaar regeren kwam er een einde aan de Romanov-dynastie met het aftreden van tsaar Nicolaas I, tijdens de Russische Revolutie van 1917.

Troonsopvolging

Peter de Grote had in zijn ‘Reglement van opvolging’ bepaald dat de heersende tsaar zelf een opvolger (of –ster) mocht aanwijzen. De vrouwelijke heersers domineerden dan ook de achttiende eeuw (Elizabeth I, Catharina de Grote). Tsaar Paul I legde in 1797 vast dat de troonsopvolging in de mannelijke lijn werd doorgegeven op de oudste zoon, de tsarevitsj. Wanneer deze niet beschikbaar was, ging de opvolging over op de in leeftijd volgende zoon. Was die er niet (of waren er helemaal geen zoons), dan ging de tsarentitel over op de oudste broer van de heersende tsaar. De negentiende eeuw was de eeuw van de mannelijke heersers. Maar liefst zes tsaren regeerden Rusland, te onthouden via het ezelsbruggetje ‘panaan’: Paul I, Alexander I, Nicolaas I, Alexander II, Alexander III en Nicolaas II.

Tsaar

Tsaar is de vorstelijke titel voor de heersers van Rusland vanaf de vijftiende-eeuwse Ivan III tot 1917. Het woord is ontstaan uit het Latijnse caesar, net als het Nederlandse woord ‘keizer’. De vrouw van de Russische tsaar heet tsarina (Russisch: tsaritsa), de mannelijke troonopvolger tsarevitsj (ofwel tsetsarevitsj, letterlijk: erfgenaam van de troon), een vrouwelijke troonopvolger tsarevna. Andere tsarenkinderen en leden van de keizerlijke familie heetten ‘grootvorstin’ en ‘grootvorst’.

Sitemap

x

Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze maandelijkse nieuwsbrief en wij zullen u op de hoogte blijven houden. Niet alleen van de tentoonstellingen, maar van alle andere activiteiten in de Hermitage Amsterdam. Waaronder de culturele avonden op woensdag, zaterdagmiddag lezingen in het auditorium en de zondagochtend concerten.