De Russische literatuur rond 1900

Het lot van het realisme. Pogingen tot vernieuwing

‘Levende klassieke schrijvers van het realisme’

In het laatste decennium van de negentiende en het eerste van de twintigste eeuw bleef het realisme de hoofdrichting in de Russische literatuur. Bij de ‘levende klassieke schrijvers van het realisme’ Lev Tolstoj, Anton Tsjechov en Vladimir Korolenko, die heel Rusland las, ontwikkelde de maatschappij zich volgens democratische idealen. Zij beschreven een bestaande ordening van het leven, en geloofden heilig in de creativiteit van de mens en in sociale rechtvaardigheid. Hoewel hun werken zeer persoonlijk waren, behandelden deze auteurs ook gemeenschappelijke thema’s, die voor ieder van hen van levensbelang waren: de verhouding tussen volk en intelligentsia, de plaats van de intelligentsia in de revolutie, de verantwoordelijkheid van de kunst voor wat er in de wereld gebeurt.

Lev Tolstoj

Lev Tolstoj (1828-1910) schreef zijn belangrijkste werken in de periode tussen twee cruciale gebeurtenissen in de Russische geschiedenis: de afschaffing van de lijfeigenschap in 1861 en de revolutie van 1904-1907. Ze vormden tevens een keerpunt in de wereldbeschouwing van de schrijver: ‘Met mij is het als volgt gegaan: het leven van onze kringen – de rijken, de geleerden – begon me niet alleen tegen te staan, maar verloor elke betekenis’, aldus Tolstoj, ‘[…] de daden van het werkende volk, dat leven schept, waren voor mij de onwankelbare pijlers van het bestaan.’ In de jaren tachtig en negentig schreef Tolstoj de roman Opstanding, de verhalen Cholstomir: het verhaal van een paard, De dood van Ivan Iljitsj en De Kreuzersonate, en het toneelstuk Vruchten der Verlichting.

Tsjechov

Het realisme rond de eeuwwisseling, ontstaan vanuit een natuurlijke vernieuwingsdrang, vond een heldere weerslag bij Anton Tsjechov (1860-1904). Tolstoj benadrukte dat Tsjechov ‘nieuwe, geheel nieuwe vormen van schrijven schiep’ en toonde zeer overtuigend aan dat deze auteur niet te vergelijken was met Toergenev, Dostojevski en hemzelf. Thema’s waren de - niet direct zichtbare - veranderingen in denken en gemoedstoestand van mensen, in de manier waarop zij de wereld en zichzelf beoordeelden. Tsjechov voegde aan zijn beelden, die altijd concreet, alledaags, geloofwaardig bleven, diepgaande sociaal-filosofische passages toe. De kunstenaar stelde levensstijlen ter discussie in al hun verschijningsvormen: sociaal, zedelijk, dagelijks (zie Een alledaagse geschiedenis, Het duel, Zaal nr. 6, Een man in een foedraal, De boeren, In het ravijn, De dame met het hondje). Het vernieuwende van Tsjechov kwam misschien wel het duidelijkst naar voren in zijn toneelstukken, die een enorme invloed zouden krijgen op het Russische en Europese theater (Ivanov, De meeuw, Oom Vanja, De Kersentuin).

De schrijvers van Sreda en Znanije

Aleksandr Koeprin

In de tweede helft van de jaren negentig verenigden realistische schrijvers zich in de literaire kring Sreda (Het Midden). Rond die kring ontstond iets later Znanije (Kennis), een uitgeverij van democratische statuur met aan het hoofd Maksim Gorki (1868-1936). Als de belangrijkste realistische schrijvers van Sreda en Znanije gelden Aleksandr Koeprin (1870-1937; De moloch, Olesja, Het duel, De granaten armband); Ivan Boenin (1870-1953; verzen en verhalen, de novelles Het dorp, Soechodol, De heer uit San Francisco); Vikenti Veresajev (1867-1945; Zonder uitweg, Bij de bocht, Voor het leven), en Gorki zelf. Zijn werk was niet alleen ‘Znanije-literatuur’, maar moet tot de algemene Russische en wereldcultuur gerekend worden. In zijn prerevolutionaire periode, beginnend met Makar Tsjoedra, ontwikkelde Gorki’s werk zich van romantische, folkloristische heldenverhalen (De oude vrouw Izegril) en ‘pauperverhalen’ (Mensen van vroeger, Tsjelkasj) tot verhaaltechnisch grootse sociaalkritische, revolutionaire verhalen en romans als Foma Gordejev en De moeder en toneelstukken als Op de bodem, De zomermensen, De barbaren, De Filistijnen en De vijanden.

De neorealisten

In 1910 begon de ‘val van het realisme’, zoals critici het noemden, een nieuwe generatie schrijvers tegen te staan. Zij worden in de regel ‘neorealisten’ genoemd. Velen van hen kwamen later in de voorhoede van de Sovjetliteratuur: Aleksej Tolstoj, Michail Pryvsjin, Konstantin Trenjov, Sergej Sergejev-Tsenski.

De nieuwe plattelandspoëzie van de jaren tien

Na 1910 liet een nieuwe generatie dichters uit plattelandsmilieus van zich horen. Onder hen Nikolaj Kljoejev, wiens poëzie vooral werd bevolkt door patriarchale boeren met hun naïeve, religieuze mysticisme, en Sergej Klytsjkov, dichter van ‘volkse’ werken die mede waren beïnvloed door Aleksandr Blok en de symbolisten. In diezelfde periode nam de carrière van Sergej Jesenin (1895-1925) een aanvang. Bij hem groeide het plattelandsthema uit tot het thema van het Vaderland, van nationale lotsbestemmingen, van het dorp, kortom: tot het thema Rusland.

Modernisme. Modernistische stromingen 1890-1910

Terwijl het realisme zijn intrede deed in de literatuur, was er ook een groep schrijvers die in opstand kwam tegen het positivisme van de negentiende eeuw. Deze rebellen behoorden tot het symbolisme en het acmeïsme, kortom: tot de literaire avant-garde.

Symbolisme

Dmitri Merezjkovski

Filosofie en esthetiek van het Russische symbolisme kregen vorm in de publicaties van Nikolaj Minski, Dmitri Merezjkovski en Artemi Volynski. In de literatuur maakt men gewoonlijk een tweedeling in ‘oudere’ en ‘jongere’ symbolisten. Tot de oudere generatie behoren de dichters Konstantin Balmont, Fjodor Sologoeb en Aleksandr Dobroljoebov. Een bijzondere plaats neemt Dmitri Merezjkovski (1866-1941) in, symbolistisch dichter, prozaïst, filosoof en theoreticus (hij schreef de dichtbundel Symbolen, het essay Over de oorzaken van de teloorgang en de nieuwe stromingen in de moderne Russische literatuur, de trilogie Christus en de Antichrist). De natuurlijke leider van de beweging was Valeri Brjoesov (1873-1924), de belangrijkste Moskouse symbolist, theoreticus en dichter, redacteur van het centrale symbolistische tijdschrift Vesy (De weegschaal). Van zijn hand verschenen onder meer de dichtbundels Russische symbolisten, Me eum esse / Dit ben ik, Tertia Vigilia / De Derde Wake, verhalen en novelles, de roman De engel van vuur.

Aleksandr Blok

In het eerste decennium van de twintigste eeuw betrad een nieuwe generatie ‘jonge’ symbolisten de literaire arena:Vjatsjeslav Ivanov, Andrej Bely, Aleksandr Blok, Sergej Solovjov. Zij wilden een eind te maken aan het individualisme en subjectivisme van de ‘ouderen’ en zich richten op de wezenlijke problemen van de moderne tijd. De belangrijkste was Aleksandr Blok (1880-1921), wiens werk van ontzaglijke waarde is. In 1916 onderscheidde de dichter zelf drie hoofdfases in zijn carrière. De eerste was die van de mystieke ‘these’, de tweede die van de sceptische ‘antithese’ en de derde die van de ‘synthese’, met daarin een centrale plaats voor zijn gedichten over Rusland. Blok zag zijn werk als een ‘lyrische trilogie’, een reeks verhalen over de weg van het Ik van aanvankelijke harmonie met de wereld, via de chaos en tragiek van de botsing met de wrede realiteit, naar een heldhaftige strijd voor bevrijding van de Schoonheid en de schepping van een Nieuw Leven. Bloks beroemdste werken van vóór 1916 zijn de dichtbundels en gedichtencycli Gedichten over een schone dame, Kruispunten, Onverwachte blijdschap, Een masker van sneeuw, Doodsdansen en Vaderland, de lyrische trilogie De kermiskraam, De Koning op het plein en De onbekende vrouw en de gedichten Lied van het noodlot en Vergelding.

De crisis van het symbolisme. Het acmeïsme.

In de jaren tien beleefde het symbolisme als literair en artistiek genre een crisis. Onder de dichters die de poëzie wilden bevrijden uit ‘de mist van het symbolisme’ en haar wilden richten op het reële leven ontstond de kring Dichtersgilde (Tsech poëtov, 1911), aangevoerd door Nikolaj Goemiljov en Sergej Gorodetski. De leden waren vooral jongeren: Michail Koezmin, Anna Achmatova, Osip Mandelsjtam, Vladislav Chodasevitsj, Georgi Adamovitsj en Georgi Ivanov. Zij werden de trots van de ‘Zilveren Eeuw’ van de Russische poëzie en cultuur. De esthetiek die hen bij elkaar bracht, gaven zij zelf de naam ‘acmeïsme’, naar het Griekse acme (hoogste graad, top, bloei, bloeitijd). In die naam lag de nadrukkelijke wens besloten om tot nieuwe artistieke hoogtepunten te komen. Het irrationele moest worden verdreven, de poëzie bevrijd van haar wazige mystiek. Om dat te bereiken diende men de zichtbare, tastbare en hoorbare wereld zo exact mogelijk te verwoorden in uitgesproken materiële thematiek en beelden. Het acmeïsme bracht twee zeer belangrijke Russische dichters voort: Anna Achmatova (1889-1966) en Osip Mandelsjtam (1891-1938). Ondanks het acmeïstische devies om de werkelijkheid te nemen ‘als geheel, met alle schoonheid en lelijkheid die erbij hoort’, is de lyriek van Achmatova vervuld van dramatiek, kwetsbaarheid, gebrek aan harmonie in het dagelijks leven, en van een naderende catastrofe. De gedichten in haar eerste bundels – Avond, Bidsnoer, Witte vlucht – zijn vooral liefdeslyriek. Ze onderscheidden zich van andere, sociaal onverschillige acmeïstische poëzie door het hoofdthema van haar latere werk dat er al in doorschemerde: het Vaderland, het speciale, intieme gevoel van hoogwaardig patriottisme.

Mandelsjtam sloot zich aan bij de acmeïsten omdat hij werd aangetrokken door de ‘schitterende helderheid’ en ‘eeuwigheid’ van hun beelden. In zijn werken uit de jaren tien, verzameld in De steen, gebruikt de dichter het beeld van de steen waaruit hij als een architect bouwwerken creëert: zijn gedichten. Mandelsjtam drukt zijn wens uit om de tragische stormen van de tijd te verruilen voor het tijdloze, voor de beschavingen en culturen van vroegere eeuwen. Dat bracht hem dicht bij Nikolaj Goemiljov.

De literaire avant-garde

Tegelijkertijd met het acmeïsme ontstonden talrijke literaire avant-gardistische groepen, waaronder het egofuturisme en het futurisme.

Igor Severjanin

Het egofuturisme staat wat betreft ideeën en artistiek program min of meer tussen het acmeïsme en het futurisme. De meest uitgesproken vertegenwoordiger was Igor Severjanin (1887-1941). Hij stemde zijn gedichten (in de bundels De fluitketel, De gouden lier en Stukken ananas in de champagne) vaak af op de smaak van het geësthetiseerde bourgeoispubliek, dat een decadent leven leidde.

Het futurisme was nauw verbonden met de futuristische stromingen in de schilderkunst, wat vaak blijkt uit het ontbreken van een echt thema. Deze stroming had zijn belangrijkste vertegenwoordiger in de groep Gilea (de kubofuturisten, onder wie David en Nikolaj Boerljoek, Velimir Chlebnikov, Aleksej Kroetsjonych, Vladimir Majakovski). Twee andere groepen waren Mezzanine van de poëzie, aangevoerd door Vadim Sjersjenevitsj, en Centrale figuur, waartoe Sergej Bobrov, Nikolaj Asejev en Boris Pasternak behoorden.

Van de voortreffelijke dichters van begin twintigste eeuw die niet behoorden tot een bepaalde groepering of stroming moeten we in elk geval Marina Tsvetajeva en Maksimilian Volosjin noemen.

Het Russische toneel rond 1900

In de tweede helft van de negentiende eeuw onderging de Russische toneelcultuur een ingrijpende vernieuwing, die van zeer grote invloed was op de verdere geschiedenis van het Russische, maar ook van het Europese en zelfs van het mondiale theater.

De belangrijkste dramatheaters van de negentiende eeuw waren het Alexandra Theater in St.-Petersburg en het Maly (Kleine) Theater in Moskou. Het monopolie op publieksvertoningen in de hoofdsteden rustte bij de keizerlijke theaters. Progressieve figuren in de toneelwereld probeerden op verschillende wijzen de keizerlijke theaters te vermijden, maar pas in 1882 werd dit monopolie officieel afgeschaft. Wat werd ontvangen als de opheffing van de ‘lijfeigenschap’ van het toneel.

Alexandra Theater in St.-Petersburg

De grootste mijlpaal in de ontwikkeling van het Russische theater was het werk van de vooraanstaande toneelhervormer Konstantin Sergejevitsj Stanislavski (1863-1938). In 1898 stichtte hij samen met Vladimir Nemirovitsj-Dantsjenko het Moskouse Kunstheater, dat een cruciale ontwikkelingsfase in het toneelrealisme markeerde en een grote rol zou spelen bij de brede erkenning van vernieuwend theater, vrij van staatsbemoeienis. Het spel van de acteurs (die een hecht ensemble vormden, gericht op gezamenlijke interpretatie van het stuk), de decors, het licht en het geluid vormden één artistiek beeld. De rollen van Stanislavski zelf onderscheidden zich door hun artistieke perfectie en tot in detail uitgewerkte psychologische aspecten. Met het Moskouse Kunsttheater begon een nieuwe fase in de ontwikkeling van de mondiale toneelkunst: die van het regisseurstheater.

In zijn eerste periode (1898-1905) bood het Moskouse Kunsttheater moderne dramaturgie. De belangrijkste gebeurtenissen waren de opvoeringen van stukken van Tsjechov, Gorki, Lev Tolstoj, Gerhard Hauptmann en Henrik Ibsen.

In het Petersburgse theaterleven vormde de oprichting van het Komissarzjevskaja Theater een mijlpaal. Vera Fjodorovna Komissarzjevskaja (1864-1910) was vanaf 1896 actrice in het Alexandra Theater geweest. In 1904 verliet zij de ‘staatsbühne’ en opende haar eigen theater, dat de stem van de Russische democratische intelligentsia vertolkte. Het repertoire: De meeuw van Tsjechov, Het meisje zonder bruidschat van Aleksej Ostrovski en Nora van Ibsen. In die stukken schitterden ook het geweldige talent en bijzondere temperament van Komissarszjevskaja zelf als vertolkster van realistisch-psychologisch toneel.

De grondslagen van het nieuwe theater, met de bijbehorende moderne decors en speelwijze, waren verankerd in het werk van de regisseur Vsevolod Meyerhold (1874-1940). Voor Meyerhold was de volledige artistieke onafhankelijkheid van de regisseur een vaststaand gegeven: hij maakt zijn eigen weergave en liet zich niet inperken door de intenties van de schrijver. Bij Meyerhold speelden de decors een essentiële rol. Zij waren er om de plaats van handeling levensecht te doen lijken, maar om symbolisch de kerngedachte van het stuk te verbeelden. Meyerhold probeerde eerst zijn experimentele opvoeringen te verwezenlijken in het Komissarsjevskaja Theater, maar vanwege meningsverschillen verliet hij dat in 1907. Hij kreeg een uitnodiging om te komen werken in het Alexandra Theater. Een onvergetelijke gebeurtenis voor het theater en voor de kunst van Petersburg in het algemeen werd de opvoering in 1908 van De maskerade van Michail Lermontov, een gezamenlijke productie van Meyerhold en de kunstenaar Aleksandr Golovin. Parallel daaraan regisseerde hij ‘kleinkunst’: cabaret, variété, studiestukken. Zijn belangrijkste inspiratie vond Meyerhold in de Italiaanse Commedia dell’Arte en andere groteske toneelvormen, waar hij erg van hield.

Vsevolod Meyerhold

Tot de toneelhervormers moet ook de oprichter van het Moskouse Kamenny Theater (1914) worden gerekend, Aleksandr Jakovlevitsj Tairov (1885-1950). Zijn ideaal was ‘synthetisch theater’, met hoofdzakelijk romantische stukken en tragedies op het repertoire. Om zijn ideeën over zuivere toneelkunst uit de dragen, richtte hij zich vooral op de vorming van virtuoze acteurs. Een belangrijke rol was weggelegd voor de kunstenares Aleksandra Ekster, die verantwoordelijk was voor vele van Tairovs decors. Ze waren gemaakt volgens de ‘ultramoderne’ stromingen in de beeldende kunst. De kubofuturistische opvoering van Thamira de citerspeelster van Innokenti Annenski en Salome van Oscar Wilde toonden de eerste aanzetten tot een decorbouw die tegelijkertijd ruimtelijk, schilderkunstig en architecturaal was.

In het begin van de twintigste eeuw dacht de intelligentsia veel na over de rol van het theater in het sociaal-culturele leven in Rusland. In 1903 ontstond de Unie van Theater- en Muziekschrijvers, en in 1906 de Algeheel Russische Unie van Toneelwerkers als deel van de Russische Theater Maatschappij.

Sitemap

x

Nieuwsbrief

Schrijf u in voor onze maandelijkse nieuwsbrief en wij zullen u op de hoogte blijven houden. Niet alleen van de tentoonstellingen, maar van alle andere activiteiten in de Hermitage Amsterdam. Waaronder de culturele avonden op woensdag, zaterdagmiddag lezingen in het auditorium en de zondagochtend concerten.